Ingezonden stuk op maandag 4 oktober 2004 in Financieel Dagblad.

Geen subsidie voor top pensioen

Lans Bovenberg en Coen Teulings hebben scherpe kritiek op ons voorstel om de pensioensubsidie voor de hoogste inkomens te beperken. Dat is vreemd, want ze betogen zelf ook dat hoge inkomens meer moeten bijdragen aan de vergrijzingkosten. We zijn het dus eens over het doel. Zij hebben voorkeur voor de route van vermindering van de hypotheekrenteaftrek en fiscalisering van de AOW. Wij zien niet waarom dat in strijd is met ons voorstel om de pensioenaftrek af te toppen. Bovenberg en Teulings schrijven dat wij voor mensen die meer dan 45.000 euro verdienen de fiscale aftrekbaarheid van pensioenpremies willen afschaffen. Dat klopt niet. We willen dat iedereen, dus ook de mensen met inkomens boven 45.000 euro, met hulp van de fiscus voor de oude dag mogen sparen. We stellen alleen voor om het inkomensdeel boven 45.000 euro buiten de fiscale bevoordeling, de zogenaamde omkeerregel, te houden. De pensioenpremie voor dit topdeel is dan niet meer aftrekbaar tegen het hoogste tarief van 52 procent en uiteraard is dan ook de pensioenuitkering niet meer belast tegen het tarief van de gepensioneerde, dat veelal lager ligt, namelijk 42 procent of nog lager.
Om twee redenen hebben we dit plan bedacht. De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen. Wij vinden het daarom onnodig mensen met hoge inkomens meer fiscale subsidie te geven dan mensen met lage en middeninkomens. Zeker nu er toch al zoveel moet worden bezuinigd, is dat geen politiek speeltje maar een politieke keuze.
In de tweede plaats willen we subsidies vermijden die marktwerking verstoren of verkeerde marktprikkels geven. De hypotheekrenteaftrek valt in beide categorieën. De hypotheekrente biedt meer voordeel aan hoge dan aan lage inkomens en heeft op de woningmarkt tot oververhitting geleid. Bovenberg en Teulings wijzen daar terecht op, en steunen onze pleidooien om daar iets aan te doen. Zij voegen zelfs het argument toe dat via de hypotheekrenteaftrek belastingarbitrage wordt toegepast om goedkoop te sparen voor de oude dag, omdat mensen zo de vermogensrendementsheffing kunnen ontlopen. Maar dat is precies ook het geval bij het pensioensparen. De hoogste inkomens hebben een relatief groot voordeel van de omkeerregel. Zij kunnen tegen een hoger tarief een groter premiebedrag aftrekken. Ze profiteren van een lagere heffing over de latere uitkering. Maar ze profiteren ook meer van de vrijstelling van de vermogensheffing over het gespaarde bedrag. Hoge inkomens hebben immers een hoger pensioenvermogen. Het is dan toch consequent om beide vormen van omgekeerde solidariteit tegen te gaan?
De overdadige pensioensubsidie verstoort tevens de gewenste prikkel voor hogere inkomens om langer te werken. Het prikkelt ze om te rentenieren in plaats van te investeren in eigen menselijk kapitaal. De omkeerregel bevordert pensioensparen en prikkelt daarmee hogere inkomens om niet alleen rianter met pensioen te gaan, maar ook om eerder te kunnen uittreden dan met 65 jaar. Immers je kunt, als je inkomen maar hoog genoeg is, zoveel pensioensparen dat je genoeg overhoudt om ver voor je 65e jaar te stoppen met werken. Ondanks de actuariële korting en het ontbreken van je AOW is je pensioen dan nog genoeg waard om in je levensonderhoud te voorzien. Een manager in de zorg kan dus ook na afschaffing van het prepensioen voor zijn 65e stoppen met werken. Een gewone verpleegkundige heeft die luxe niet. Ze bouwen te weinig pensioen op om bij vervroegde uittreding het ontbrekende AOW-deel te kunnen compenseren en zo in het eigen levensonderhoud te voorzien.
Bovenberg en Teulings verwijten ons een politiek spel omdat we door de aftopping van de pensioenpremieaftrek alleen op korte termijn veel besparingen binnen halen. We schuiven de rekening door naar de toekomst omdat als het pensioensparen niet vrijgesteld is van belasting we de belastinginkomsten op latere pensioenuitkeringen mis lopen. Uiteraard hebben we daar goed opgelet. Het CPB heeft voor ons uitgerekend dat de netto contante waarde van het aftoppen van de omkeerregel 22 miljard euro oplevert. Dus het budgettaire voordeel nú is groter dan het verlies later.
Ze hebben gelijk dat de mogelijkheid om later bij rijkere ouderen de belastingen te verhogen door ons voorstel kleiner wordt. Maar moeten we dan eerst deze groep zwaar subsidiëren om ze dat later weer af te nemen? Dat zou echt het beeld van de betrouwbare overheid ondergraven.
De besparingen moeten dan wel ingezet worden om de vergrijzing aan te pakken. Wij doen dat. We hebben een lager financieringstekort dan Zalm, namelijk 500 miljoen euro. En we zetten zwaar in op onderwijs en meer banen, met name in de marktsector. Geen consumptieve bestedingen in de tegenbegroting van de PvdA!
Dan het laatste argument van Bovenberg en Teulings. Door aftopping van de aftrekbaarheid ondergraven we de bestaansgrond van verplichte collectieve regelingen. Een kritiek waar we gevoelig voor zijn. Immers, het samen sparen voor de oude dag is een profijtelijke vorm van solidariteit. Maar moeten we dan alle bestaande collectieve regelingen onbeperkt fiscaal subsidiëren omdat ze nu eenmaal collectief zijn? Dat is vakbondstaal van het ouderwetse soort. Alle (!) bestaande werknemers en volksverzekeringen hebben een maximumaanspraak en een maximumpremieplichtig inkomen.
Bovenberg en Teulings hebben gelijk dat hogere inkomens meer moeten bijdragen aan het opvangen van de vergrijzingsproblematiek door de hypotheekrenteaftrek aan te pakken en de AOW te fiscaliseren. Omdat de fiscale subsidie voor het topdeel van de pensioenen ongeveer hetzelfde werkt, begrijpen we niet waarom ze die willen ontzien. Zo erg is het toch niet als iedereen, rijk en arm, een fatsoenlijk pensioen mag sparen met fiscale subsidie, en dat wie méér wil daar eigen verantwoordelijkheid voor neemt en netto-netto gaat sparen?

Ferd Crone en Staf Depla zijn lid van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer.

Vorige pagina