Socialisme&Democratie, juni 2002

Wat we onszelf moeten aanrekenen

In de stad hingen de afgelopen weken affiches met de leuze "Leefbaar Somalië, lijst 18". Een dappere poging van ontwikkelingsorganisatie NOVIB om in deze verkiezingscampagne aandacht te krijgen voor de kwaliteit van het leven in de derde wereld. Een oproep aan kiezers óók te denken aan problemen van anderen. Daartegenover staat een egocentrische beweging die keihard aandacht opeist voor de eigen problemen. Problemen die worden verabsoluteert en soms ook opgeblazen. Problemen die door de politiek te lang zijn genegeerd. Deze groep kiezers, handelend vanuit de eigen kleine wereld, staat ver af van het internationale idealisme van NOVIB.

En daartussen zit de politiek, die in haar eigen werkelijkheid haar eigen agenda in een ergerlijk traag tempo afwerkt op een manier die niet te volgen is voor veel kiezers. Gelegitimeerd door verkiezingen één keer per vier jaar waarin de partijen zelf de thema's bepaalden, zonder zich af te vragen of dat ook de dingen zijn waar de kiezers tegenaan lopen in hun eigen omgeving. Dat was deze campagne overduidelijk. De PvdA was tot de tanden gewapend om andere partijen de maat te nemen over de inkomenseffecten van een nieuw stelsel van ziektekostenverzekering. Wel of niet inkomensafhankelijke premies als groot profileringspunt naar de kiezer. Vanuit 'eerlijk delen' een heel belangrijke kwestie, maar de kiezer bleek niet geïnterreseerd. Deze vroeg zich hoogstens of een nieuw stelsel zou bijdragen aan het wegwerken van de wachtlijsten. Niet dus. Het hele thema heeft geen enkele rol gespeeld. En dat gold voor alle inhoudelijke sociaal-economische thema's die wij centraal wilde stellen, zoals de WAO, huursubsidie, lastenverlichting, arbeidskorting. Kernthema's voor een sociaal-democratische partij, maar de knop stond bij de kiezer niet op "ontvangen". De kiezer was niet geïntereseerd in onze boodschap. Er was geen begin van vertrouwen in de PvdA bij grote groepen op de thema's waar het hen wèl om ging, zoals veiligheid en de integratie van nieuwkomers. In plaats van dat wij met onze boodschap over de andere partijen naar de kiezers konden walsen, wat wel de opzet van de campagne was, walsden de kiezers over ons heen. Een nieuwkomer op het politieke toneel bepaalde de agenda en de toonzetting en werd door het publiek warm onthaald. Wij zijn geen moment uit het defensief gekomen.

Dit artikel gaat niet over wat ons is overkomen, over datgene wat wij niet konden beïnvloeden. Dit artikel gaat over datgene wat we onszelf wèl moeten aanrekenen. Het gaat over een bestuurscultuur, een stijl en een inhoudelijke boodschap die de kiezers niet aansprak, soms zelfs afstootte. Drie zwakke plekken die feilloos werden blootgelegd door Fortuijn. Het is te makkelijk de oorzaak van deze nederlaag alleen te zoeken in de vreselijke sfeer die ontstond tijdens de campagne rond de PvdA en de karaktermoord op Ad Melkert, versterkt door de dood van LPF-lijstrekker Fortuijn. Dat zou ook voorbij gaan aan de trend die de afgelopen jaren zichtbaar is in de uitslagen van de verkiezingen voor de Tweede Kamer, het Europese parlement, provinciale staten en gemeenteraden. Uitslagen die keer op keer slecht waren, met de kamerverkiezingen in 1998 als uitzondering. Die uitslag had echter weinig te maken met het vertrouwen dat mensen stelden in de PvdA maar vooral in de persoon Wim Kok. Om deze neerwaartse trend te stoppen zal het proces van vernieuwing moeten worden hervat. Op alledrie de thema's cultuur, stijl en inhoud, zal de PvdA moeten worden opgeschud. Om daarvoor ruimte te maken zullen eerst een aantal 'machtsblokkades' die er in de partij zitten moeten worden doorbroken. We schetsen een aantal in onze ogen cruciale veranderingen in de politiek, de partij en niet in de laatste plaats ons eigen functioneren als volksvertegenwoordigers. Het zijn aanzetten tot discussie, geenszins definitief of compleet. Daarvoor is de politieke orkaan nog te kort geleden opgestoken en nog nauwelijks gaan liggen.

Politieke cultuur
De kiezer beleedt de afgelopen maanden nadrukkelijk zijn hardgrondige afkeer van de politieke cultuur van ons land. Dat verwijt kwam vooral op ons hoofd terecht. Een belangrijke verklaring daarvoor is dat wij nu eenmaal de grootste partij waren en de afgelopen twaalf jaar de constante factor in de macht. Maar daarmee is het verwijt niet weg. Ook wij hebben dat gevoel van onbehagen. Onze partij heeft de afgelopen jaren als geen andere "gevestigde" partij meegewerkt aan en geprofiteerd van de "bananenrepubliek". Wat ooit voort kwam uit de verzuiling van de samenleving, de verzuilde verdeling van de macht, wordt nu en in onze terecht gezien als een pervetering van de politieke cultuur. Allerlei openbare gezagsdragers in dit land worden via ondoorzichtige procedures benoemd en steeds meer functies zijn politieke benoemingen geworden. Van alle topambtenaren is bekend van welke politieke, meestal grote, partij ze lid zijn. Als je geen lid bent van een van de drie grote partijen maak je nagenoeg geen kans burgemeester te worden. Maar het gaat veel verder. Voorzitters en andere leden van adviesraden en hoge colleges van staat, allerhande poldercommissies, steeds lijkt de politieke kleurverdeling belangrijker dan de kwaliteit van de kandidaten. De kern is dit: Als de politieke kleur zo belangrijk is, laten we dan de benoeming vervangen door een verkiezing. En zoniet, een gewone sollicitatieprocedure waarbij politieke kleur geen rol dient te spelen. Daartegenover zouden wij willen pleiten voor de mogelijkheid voor een nieuwe Minister om een politieke staf aan te stellen voor de duur van zijn bestuursperiode. Een staf van medewekers die met name de politieke agenda van de bewindspersoon bewaken binnen de Ministeries. Mogelijk is de wildgroei van politieke benoemingen in de ambtenarij ook veroorzaakt door het taboe van het benoemen van echte politieke medewerkers op de Ministeries. Zo gek is dat niet. In veel westerse democratiën heeft een politiek bestuurder de mogelijkheid een politieke staf aan te trekken, die met de Minister komt en gaat.

Als volksvertegenwoordigers zijn wij de afgelopen jaren mede-verantwoordelijk geweest voor de ontstane cultuur. Ook wij hebben ons te vaak als aspirant-bestuurders opgesteld. Van cruciaal belang voor de volksvertegenwoordiging is dat de kamerleden als burger naar het Binnenhof blijven kijken. Door de bril van de burger en vanuit het gedachtengoed van de Partij van de Arbeid weerwoord geven tegen de bestuurders en op basis van kennis van zaken initiatieven nemen. Een belangrijk hulpmiddel daarbij is het districtenstelsel. Natuurlijk, het is niet de panacé voor de hele kloof kiezer-gekozene. Maar het dwingt volksvertegenwoordigers veel directer tot verantwoording. Tot zichtbaarheid, tot zich individueel uitspreken over politieke kwesties en keuzes. De vrees dat deze kamerleden alleen nog maar voor enge regionale belagen opkomen is onterecht. De kiezer in de regio Betuwe is ook geïnteresseerd in de Joint Strike Fighter en in de wachtlijsten en wil van de regionale kandidaten ook op die onderwerpen aansprekende standpunten horen. En allerlei, al dan niet valse, loyaliteiten aan fractie, fractieleider of kabinet, zijn daarbij voor de kiezer geen argumenten. Het districtenstelsel zal de individuele volksvertegenwoordiger dwingen om vanuit de maatschappelijke agenda te blijven denken in plaats vanuit de politiek-bestuurlijke agenda. Het gaat naast de keuze van de onderwerpen ook om het aanvoelen van de urgentie. Volksvertegenwoordigers moeten veel minder begrip tonen voor de oneindige traagheid van besluitvorming en uitvoering. Het grote ongeduld rond thema's als de wachtlijsten hebben we in Den Haag totaal onvoldoende opgepikt. We moeten ons dat ongeduld weer eigen maken. Alleen een permanente "grassroot" campagne in de kiesdistricten zal maken dat politici en kiezers weer 'kennen en gekend worden'.

Er lijkt maatschappelijk brede overeenstemming over deze en andere vernieuwingen in onze democratische cultuur. Maar wat kunnen we verwachten van een rechts kabinet dat na de uitslag van 15 mei geformeerd zal worden? De paradox wil dat de modernisering van het democratische bestuur juist door de conservatieve partijen de laatste decennia effectief en stelselmatig is gefrustreerd. De weerstand tegen directe democratie is bij VVD en CDA diepgeworteld. In een rechts kabinet zal de LPF spijkerhard moeten vastleggen welke bestuurlijke vernieuwingen men wil. En zelfs dan leert de evaring dat het conservatieve VVD-CDA meerderheid in de Eerste Kamer werkelijke democratisering blokkeert. Initiatiefwetgeving van de linkse fracties in Tweede Kamer samen met de LPF-fractie ligt voor de hand. Wij pleiten er dus voor om waar inhoudelijke raakvlakken zijn met de nieuwe fracties in de Kamer deze niet krampachtig te mijden. Initiatiefrijk oppositievoeren. Actief en niet reactief. Brede samenwerking zoeken die, waar het gaat om de progressieve partijen, wat ons betreft zeer vergaand kan zijn.

Politieke stijl
In de achterliggende maanden heeft ons het harde verwijt getroffen geen voeling meer te hebben met wat mensen werkelijk bezig houdt. De PvdA heeft in onze ogen, misschien wel meer dan andere partijen, het vermogen verloren om te problematiseren. Om maatschappelijke problemen snel op te pikken, helder te verwoorden, een gevoel van urgentie te krijgen en dán pas te gaan praten over wat we er aan kunnen doen. Het is ook ónze sterkste kant misschien niet. Over het algemeen hebben wij de neiging direct op de maatregel te gaan sturen, de aanpak, de wet- en regelgeving, de haalbare oplossing. Waarbij veel te snel voorbij gegaan wordt aan het scherp onder woorden brengen van het probleem. Zodat mensen het gevoel hebben van "hé, in Den Haag wordt het óók begrepen". Het is de bestuurlijke insteek waarbij een elementair onderdeel van onze taak als volksvertegenwoordiger wordt verwaarloosd.
Maar ook van bestuurders mag meer emphatie, inlevingsvermogen en betrokkenheid worden verwacht. Natúúrlijk is er van alles gebeurd door de Paarse bewindslieden aan de wachtlijsten in de zorg. Maar heeft Els Borst op ook maar één moment uitgestraald dat de frustratie, het ongeduld en onbegrip van mensen over dit probleem ook háár frustratie en ongeduld was? In onze waarneming straalden bewindslieden vaker uit dat zij onbegrip en ongeduld hadden met het gebrek aan erkenning en waardering uit de samenleving voor hun toch serieuse inspanningen. Tegenover miskende kiezers stonden miskende politici. Om deze kloof te dichten moeten tenminste twee dingen gebeuren. Enerzijds zullen volksvertegenwoordigers veel scherper moeten laten zien dat zij de problemen volledig herkennen en bewindslieden hun verantwoordelijkheid voor de oplossing ervan volledig erkennen. Dat maakt kwetsbaar maar is onontkoombaar. Anderzijds zal de Haagse politiek haar afspraken in de toekomst niet langer moeten richten op de maatregelen die genomen gaan worden, zoals dat in de huidige regeerakkoorden het geval is, maar op de gewenste uitkomsten. Op resultaten. Een proces wat met de 'VBTB-operatie' weliswaar in gang in gezet, maar nog veel te weinig concreet is vertaald. De discussie moet niet gaan over een dik of dun regeerakkoord, maar over het vastleggen van prestatieafspraken met bewindslieden. Want dáár zijn de kiezers aan het einde van de rit in geïnteresseerd. In het bedrijfsleven was de trend al langer zichtbaar, de politiek moet er nu ook aan geloven: "don't tell it; just show it!" Dit dwingt overigens partijen veel realistischer te zijn in de verkiezingscampagnes over de resultaten die aan de kiezer worden beloofd. Wij keren ons ook tegen de roep om een dun regeerakkoord (één A-vier tje) om een andere reden. Het sluiten van een regeerakkord wordt vaak gezien als een noodzakelijk kwaad, horend bij onze coalitiepolitiek. Des te meer wantrouwen tussen de nieuwe partners, des te dikker het akkoord. Een regeerakkoord heeft echter ook een hele belangrijke andere betekenis. Het is het enige moment waarop de politiek, met de ambtenarij op veel grotere afstand dan in de rest van de regeerperiode, echt fors haar stempel drukt op het beleid. De ervaring leert dat op het moment dat de nieuwe Minister bij de Koningin is geweest en naar zijn departement afreist, hij onmiddelijk wordt geconfronteerd met de lopende gang van zaken op dat departement. En niet zelden wordt betrokkene daarin in een rap tempo meegezogen en is de politieke leiding weer ingekapseld in de ambtelijke agenda. Je kunt zeggen dat dergelijke Ministers geen knip voor de neus waard zijn. Zeker; maar wij hebben niet de illussie dat de Minister die met een regeerakkoord van een half A-viertje aan komt zetten, beter in staat zal zijn zijn politieke stempel op het beleid te drukken. Wij pleiten, ongeacht de uitkomst van de formatie, voor een regeerakkoord wat op alle relevante maatschappelijke problemen realistische doelstellingen vastlegt. De ambtelijke vrijheid en creativiteit kan volledig worden ingezet voor het ontwikkelen van effectieve instrumenten om aan de prestatie-afspraken tijdig te voldoen. Want daarop wordt de Minister aangesproken door de Kamer. Begrijp ons niet verkeerd; de wijze waarop een doelstellig wordt nagestreefd kan ook grote politieke implicaties hebben en daarom evenzeer onderwerp van politiek debat. Maar juist op de keuze van de maatregelen hoeven de partijen niet bij voorbaat alles vast te leggen in akkoorden. Sterker nog, dat is ongewenst omdat dat de grijsheid van de politiek bestendigd in plaats van openbreekt. Het Regeerakkoord moet ook veel meer een dynamisch document worden. Niet een document dat eenmaal vastgesteld, voor vier jaar geldt. Het regeerakkoord moet eigenlijk jaarlijks door het kabinet, en dus niet door de coalitiefracties, worden geactualiseerd. Dit jaarlijks bijgestelde politieke coalitieprogramma vormt de basis voor de algemene beschouwingen, het debat kort na Prinsjesdag. Daartegenover zou de samenwerkende progressieve oppositie haar eigen jaarlijkse programma kunnen presenteren. De tegenbegroting, iets waar het CDA nooit de moeite toe heeft genomen. De tegenbegroting die ook laat zien dat wij de maatschappelijke agenda op de voet volgen en direct vertalen naar de Haagse beleidsagenda.

Inhoud
Ook de inhoudelijke boodschap van de PvdA liet in deze campagne te wensen over. Ten eerste zou je kunnen stellen dat de kern van ons verhaal voor de kiezer al vier jaar oud was en voorbij zijn houdbaarheidsdatum. Vier jaar geleden konden wij aan de kiezer melden dat er grote resutaten waren geboekt op het terrein van economie en werkgelegenheid èn de sanering van de overheidsfinanciën. De hoge structurele werkloosheid lag nog vers in het geheugen van de kiezer en de resultaten werden dus herkend en erkend. Tevens konden we toen nog enig geduld vragen van de kiezer voor de noodzakelijke kwaliteitsverbetering in de collectieve sector. We beloofden een actieve aanpak met meer handen aan het bed en blauw op straat. Beloften die ook zijn nagekomen maar nog niet de verlangde kwaliteitsverbetering meebrachten.
Nu, vier jaar later, zijn we feitelijk met dezelfde boodschap opnieuw naar de kiezer gegaan. En toen bleek het geduld van velen op. Het vertrouwen dat de partijen die het acht of zelfs twaalf jaar hadden kunnen laten zien, het alsnog zouden waarmaken was weg. Er waren niet genoeg nieuwe prestaties om die geloofwaardigheid te schragen. Paars II werd voor een belangrijk deel verkocht met de prestaties van Paars I. Maar juist omdat economisch gezien de bomen tot in de hemel reikten, was het onbegrip voor de problemen bij de politie en in de ziekenhuizen tot grote hoogte gestegen. En het geduld op.

Maar waarom werd nu juist de PvdA afgerekend op het tekort aan kwaliteit in de zorg, het onderwijs de veiligheid? Omdat juist wij de mensen in solidaire collectieve stelsels willen vasthouden. Omdat wij vanuit sociale rechtvaardigheid willen voorkomen dat er naast collectieve stelsels, private voorzieningen komen voor alleen diegenen die het kunnen betalen. Een keuze die wij nog steeds volledig onderschrijven. Maar solidaiteit moet je organiseren en daarvoor ontkom je er niet aan dat de overheid de vrijheid van individuele burgers om eigen arrangementen te treffen beperkt. Een beperking die grosso modo wordt geaccepteerd wanneer de kwaliteit van de geboden voorzieningen voldoende op peil is. En dat was hij niet, de afgelopen jaren. Als de PvdA die georganiseerde solidariteit op peil wil houden zal zij als eerste de kwaliteit op orde moeten brengen. Ad Melkert realiseerde zich dat als geen ander. Hij maakte daar elk jaar op Prinsjesdag weer het belangrijkste thema van. Het leverde hem de geuzennnaam "rupsje nooit genoeg" op. Maar zijn inzet was niet alleen gericht op grotere budgetten. Er werd ook ruimte gemaakt voor meer individuele keuzevrijheid binnen de solidaire collectieve stelsels, bijvoorbeeld met persoonsgebonden budgetten. En Melkert aggendeerde als eerste het thema van "de nieuwe overheid". Een overheid die zichzelf weer veel meer ten dienste van de burger stelt. Met veel meer aandacht voor de kwaliteit van dienstverlening. Met een veel scherpere sturing op prestaties. We moeten het onszelf aanrekenen dat we dat thema niet vier jaar geleden, bij de vorming van Paars II, centraal hebben gesteld. Na "werk, werk, werk" als bindend motief "de kwaliteit van de overheid". Het is niet gebeurd en de latere voorstellen van Melkert zijn door het Kabinet niet opgepikt. In de campagne werd het thema helemaal overgenomen door de LPF. De komende jaren zullen we de uitwerking van die inzet van Melkert alsnog moeten gaan doen, om het draagvlak voor georganiseerde solidariteit te behouden.

Ook op ander thema's waar wij veel kritiek hebben gekregen van kiezers, de opvang en integratie van nieuwkomers in ons land èn de veiligheid, is naar onze opvatting de PvdA onder leiding van Melkert al enige jaren geleden een scherpere koers gaan varen. Maar ook hier laat en op onderdelen té laat. De sociale en economische problemen van veel nieuwkomers hebben te lang onvoldoende aandacht gehad. Pas toen de structurele werkloosheid effectief was aangepakt, kwam er aanpak geicht op de bijzonder hoge werkloosheid onder allochtonen groepen. Pas de afgelopen jaren is een integratiebeleid gestart gericht op "oudkomers", immigranten die al tientallen jaren in Nederland zijn. Er is een onderklasse ontstaan in Nederland, waaronder vele rechteloze illegalen, van honderduizenden die de Nederlandse taal niet of nauwelijks beheersen. De problematiek van illegalen hoopt zich op in oude stadswijken en de overheid heeft er nog altijd geen antwoord op. We hebben deze wijken met de problemen opgezadeld. Stadsvernieuwing nieuwe stijl, altijd een prioriteit van sociaal-democraten, is wel degelijk effectief maar gaat buitengewoon traag en is zeer kostbaar. Prachtige voorbeeldprojecten zijn er, maar zij vormen slechts de bekende druppels op gloeiende platen. De PvdA heeft de verantwoordelijkheid genomen voor een nieuwe asielwet, die duidelijk het kenmerk "streng en rechtvaardig" draagt. De effecten van deze wet zijn inmiddels duidelijk merkbaar voor de IND , maar helaas nog niet voor de kiezers in de steden. De retoriek van CDA en VVD dat de wetgeving nog veel strenger moet, betekent defacto hetzelfde als wat Fortuijn bepleitte, grenzen helemaal dicht. Het is duidelijk dat dat voor de PvdA geen optie is. De beperkte instroom die nu is bereikt moet ons in staat stellen de opvang en de integratie veel sneller en effectiever te laten lopen. En de effectiviteit van de nieuwe wet maakt een generaal pardon wat ons betreft bespreekbaar. Tenslotte zullen we ons nu ook echt moeten uitspreken over lastige thema's als gezinshereniging en migratie. Overigens loopt de PvdA in onze ogen op deze thema's mijlenver voor op Groenlinks die nog altijd de ontkenningsfase niet voorbij is en alle maatregelen van de afgelopen jaren met een zekere morele superioriteit heeft verwopen.

Er zijn ook voorbeelden te over waar wij er nog steeds niet in geslaagd zijn de aansluiting te vinden bij de maatschappelijke werkelijkheid en gevoelens van kiezers. We noemen er twee. De eerste is de discussie over gemeentelijke herindeling. De PvdA heeft zich doen kennen als de grote drijvende kracht achter het vergroten van de schaal van gemeenten. Daarvoor zijn vele zakelijke argumenten zoals de noodzaak tot samenwerking, een eerlijke verdeling van lasten en lusten en de kwaliteit van het gemeentelijke apparaat. Waar wij echter consequent overheen stappen, is de weerstand onder burgers tegen deze herindelingen. Mensen die zich daar tegen verzetten vrezen slechts een hogere onroerende zaakbelasting, zo is een vaak gehoorde redenering in onze partij. Maar kan het ook zijn dat burgers er oprecht aan hechten het bestuur dicht bij zich te hebben? Is het verwerpelijk dat mensen pleiten voor een eigen identiteit van hun lokale gemeenschap en dat zij die verbinden aan de wens voor een eigen bestuur? De problemen van intergemeentelijke samenwerking zijn reëel maar er zijn andere oplossingen denkbaar. Een terugkerend strijdpunt is de bijdrage aan stedelijke voorzieningen. Een relatief eenvoudige oplossing kan zijn een gezamenlijk grondbedrijf waarin stad en omliggende dorpen voor gezamenlijke rekening en risico lokaties voor woningbouw en bedrijven ontwikkelen. Langs dit soort lijnen kunnen oplossingen worden gezocht zonder dat op botte regenteske wijze voorbij wordt gegaan aan de enorme weerstand bij kiezers. Een tweede voorbeeld is de problematiek van Antilliaanse jongeren. Gegeven het Statuut van het Koninkrijk staat het de antilliaanse bevolking vrij te emigreren naar Nederland. Veel jongeren, vooral de kansarmen, doen dat ook en hergroeperen in toch al zwakke wijken in Nederlandse steden. Deze jongeren, die op de Antillen al kansarm waren, zijn in Nederland kansloos. Geen opleiding, slecht Nederlands. Binnen de kortst mogelijke tijd zijn zij verzonken in drugshandel. De relatie met de stroom aan bolletjesslikker is evident. De problemen die inmiddels tienallen steden in ons land hebben met deze groep zijn enorm. Redelijke wijken worden in korte tijd volstrekt onleefbaar.Het is ons nog niet gelukt in de PvdA de discussie hierover los te krijgen. Waarom is het Statuut onaantastbaar en de problemen in onze steden daaraan ondergeschikt? Het zijn slechts voorbeelden.

Tot slot
Om grote groepen kiezers weer ontvankelijk te krijgen voor onze politieke boodschap moet veel gebeuren. Een discussie over bestuurscultuur in en om de partij, de politieke stijl en een aantal inhoudelijke thema's kan niet langer worden uitgesteld. Om dit debat goed te kunnen voeren moeten wel een aantal machtsblokkades in de partij verdwijnen. Het buiten de macht staan, terug gewezen naar de oppositie, vergroot de noodzaak en maakt ruimte vrij voor een dergelijk debat. Twee dingen zijn de komende maanden belangrijk. Gegeven het succes van sommige wethouders in de steden, zullen zij de ruimte moeten krijgen en het initiatief moeten nemen om de landelijke partij de weg terug te wijzen. Qua bestuursstijl en inhoud is in Nijmegen, Tilburg, Den Haag, Utrecht en andere steden het roer al eerder omgegaan. Ten tweede zal de nieuwe politieke leider moeten worden gekozen door alle leden van de partij en liefst ook door de "vaste" PvdA-kiezers. De drempel tussen deze twee groepen moet worden verlaagd, bijvoorbeeld door een heel lage startcontributie. Deze verkiezing moet volstrekt open zijn, dus zonder aanbeveling van partijbestuur of openlijke voorkeur van de fractie. Voor de verkiezingscampagne moet voldoende tijd worden genomen zodat de kandidaten zich kunnen profileren op stijl en inhoudelijke koers die zij voorstaan. Die campagne is in onze ogen onmisbaar om een echt vernieuwingsdebat in de partij te voeren. Een campagne die we niet kunnen verliezen.

Jeroen Dijsselbloem, (kandidaat-kamerlid 31)
Staf Depla (kandidaat-kamerlid 41)

22 mei 2002

Vorige pagina