11 maart 2005

Minister van der Hoeven geeft geen steun aan behoud conciërges op Utrechtse scholen

PvdA had aan Minister gevraagd ofn de Minister het Participatiefonds financieel wilde ondersteunen zodat meer conciërges met een ID-baan op scholen aan het werk kunnen blijven. De Minister wijst dit af. Gemeenten moeten het maar oplossen. En het aantal ID-ers dat ontslagen wordt is beperkt volgens de Minister. De Utrechtse werkelijkheid is blijkbaar nog niet doorgedrongen tot Den Haag.

Antwoorden op de schriftelijke vragen van de leden Hamer en Bussemaker (beiden PvdA) van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (ingezonden d.d. 7 februari 2005, kenmerk 2040507880)

1.
Vraag: Bent u bekend met de berichtgeving over het plan “Van werk naar werk” voor ID-ers in het onderwijs, waaruit blijkt dat dit project nog niet van start kan dit jaar? [1]

Antwoord: Ja.

2.
Vraag: Hoe kijkt u aan tegen het plan “Van werk naar werk” voor ID-ers in het onderwijs?

Antwoord: Het bevorderen van uitstroom van ID-ers naar reguliere banen om ontslag te voorkomen is niet nieuw. Voormalig staatssecretaris Rutte van SZW heeft hierover al in december 2002 in het convenant gesubsidieerde arbeid met sociale partners en VNG afspraken gemaakt. Via de “Tijdelijke stimuleringsregeling regulier maken 10.000 ID-banen” zijn begin 2003 middelen beschikbaar gesteld om 10.000 ID-ers een reguliere baan te bieden. Werkgevers hebben vervolgens 1,5 jaar de tijd gehad om een aanvraag te doen voor subsidie: €17.000 per regulier gemaakte ID-baan.
In aanvulling hierop heb ik met SZW, scholen, sociale partners en gemeenten via het “convenant gesubsidieerde arbeid sector onderwijs van 22 april 2003” aparte afspraken gemaakt over het behoud van werk voor voormalige ID-werknemers.
Ik heb bovenop de stimuleringssubsidie extra middelen beschikbaar gesteld. Alle scholen hebben €1.750 per ID-er ontvangen om uitstroom te bevorderen evenals een structureel bedrag voor onderwijsondersteunende activiteiten (4 uur per week) inzetbaar voor financiering van een ID-werknemer. In de periode maart- april 2004 zijn er 10 door de sector zelf georganiseerde bijeenkomsten geweest voor onderwijswerkgevers om hen te informeren over mogelijkheden om hun ID-ers een reguliere baan te bieden en hierover afspraken te maken met gemeenten.
Voor meer informatie over verloop en resultaten van het convenant gesubsidieerde arbeid verwijs ik naar de brief van mijn collega van SZW, staatssecretaris Van Hoof van 16 augustus 2004 (TK, vergaderjaar 2003-2004, 29 200 XV, nr. 105).

In deze brief is ook vermeld dat, na afloop van het convenant gesubsidieerde arbeid per 1 juli 2004, gemeenten zelf aan de slag kunnen met het realiseren van uitstroom uit gesubsidieerde arbeid. Zij zijn met de komst van de Wet Werk en Bijstand per 1-1-2004 volledig verantwoordelijk voor het reďntegratiebeleid waaronder gesubsidieerde arbeid en kunnen hier zonder enige rijksbemoeienis invulling aan geven. Gemeenten hebben hiervoor in 2005 via het werkdeel van de WWB een bedrag van €1.6 mld. beschikbaar. Daarmee is mijn rol evenals die van mijn collega van SZW uitgespeeld. Ik heb dit ook uitgebreid toegelicht in de nota WIO 2005 (TK, vergaderjaar 2004 - 2005, 27 923, nr. 16, bijlagen pag. 81-83). Onderwijswerkgevers zullen zich tot hun gemeenten moeten wenden om afspraken te maken over uitstroom van huidige ID-ers naar regulier werk en inzet van (tijdelijk) gesubsidieerde banen op de scholen.

3.
Vraag: Waarom verstrekt de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap slechts een subsidie van € 250.000 voor de pilot?

Antwoord: Zoals ik in het antwoord op vraag 2 heb aangegeven, zullen de onderwijswerkgevers zich tot hun gemeenten moeten wenden als het gaat om financiering van reďntegratie van ID-ers.

Er zijn wel informele contacten geweest tussen OCW en SBO om de mogelijkheden van een pilot te verkennen. Hierover zijn echter nog geen concrete afspraken gemaakt.

4.
Vraag: Waarom wilt u geen lening verstrekken voor de rest van het project?

Antwoord: 11 november 2004 heeft het Participatiefonds mij verzocht een lening te verstrekken van ruim € 26 miljoen om in staat te worden gesteld het onderhavige project te kunnen voorfinancieren. Eerder had men mij de vraag gesteld of het Participatiefonds bevoegd is een dergelijke voorfinanciering te doen. Die vraag heb ik positief kunnen beantwoorden. Op 6 december 2004 heb ik het Participatie-fonds laten weten dat verstrekking van de gevraagde lening, gezien de verantwoordelijkheid voor reďntegratie van ID-ers die bij de gemeenten ligt en de omvang van de lening, voor OCW niet haalbaar is. Verder heb ik het Participatiefonds laten weten dat ik begin 2005 wilde bezien of een proefproject op kleinere schaal tot de mogelijkheden zou behoren. Dit laatste omdat een dergelijke pilot een aanjaagfunctie zou kunnen vervullen richting gemeenten en onderwijswerkgevers die een project op grotere schaal zou kunnen rechtvaardigen. Over een pilot zijn, zoals reeds aangegeven bij het antwoord op vraag 3, nog geen afspraken gemaakt.

5.
Vraag: Wil de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deze innovatieve aanpak ondersteunen en ook vanuit Sociale Zaken en Werkgelegenheid een bijdrage leveren? Zo ja, op welke manier bent u van plan dit uit te voeren?

Antwoord: Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.

6.
Vraag: Kunt u een inschatting geven hoeveel conciërges en onderwijsassistenten er op dit moment verdwijnen?

Antwoord: Bij het Participatiefonds wordt voorgenomen ontslag gemeld door de onderwijswerkgevers. Niet in alle gevallen leidt dit tot daadwerkelijk ontslag en een werkloosheidsuitkering. Navraag bij het Participatiefonds wees uit dat in 2004 voor 38 ID werknemers een ontslagvoornemen is gemeld: 32 voor het primair onderwijs en 6 voor het voortgezet onderwijs. Er is geen onderscheid bij mij bekend naar conciërge of onderwijsassistent.

7.
Vraag: Moet de Kamer ervan uitgaan dat, als dit plan “Van werk naar werk” voor ID-ers in het onderwijs geen doorgang vindt, er gedwongen ontslagen gaan vallen?

Antwoord: Dit hangt volledig af van de afspraken die de onderwijswerkgevers met hun gemeenten zullen maken of reeds gemaakt hebben over inzet en financiering van gesubsidieerde arbeid.

8.
Vraag: Wat zijn de gevolgen voor het onderwijs als er ruim 6000 ID-ers, vaak extra handen in de klas of de school, verdwijnen?

Antwoord: De werkzaamheden die deze mensen uitvoeren op de scholen zijn vaak nuttig en gewenst. Als deze uit reďntegratiemiddelen gesubsidieerde banen verdwijnen dan zullen scholen de organisatie van werkzaamheden wijzigen om toch de door hen gewenste werkzaamheden te kunnen blijven uitvoeren. Bijvoorbeeld door inzet van middelen uit het schoolbudget.

9.
Vraag: Ziet u voor de toepassing van dit plan “Van werk naar werk” voor ID-ers in het onderwijs, ook mogelijkheden voor andere ID-sectoren?

Antwoord: Zoals ook al onder vraag 5 is aangegeven zijn gemeenten verantwoordelijk voor het reďntegratiebeleid. Afspraken tussen gemeenten en sectoren zullen op het lokale of regionale niveau tot stand moeten komen.

[1] Brief van SBO en PF aan de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de heer Hoof over Plan “Van werk naar werk” d.d. 27 januari 2005, kenmerk SBO/05.00069P6043

Vorige pagina